Ie-tsjie, nie, san…

Vorige week is Omi van ons heengegaan. Zijn mijn ouders nu allebei wees, op mijn 43-ste ben ik nu grootouderloos.


Omi heeft heel wat meegemaakt in haar leven, teveel om zo even op te schrijven. Met haar natuurlijk zoveel andere oma’s en opa’s, dat hoort nu eenmaal bij die generatie. De tweede wereldoorlog, de verschrikkingen in Indonesië en niet te vergeten, de gevolgen van de eerste wereldoorlog waar hún ouders vaak weer deel van hebben uitgemaakt.


Ze werd geboren in Tjimahi op Java, in 1920, als dochter van een militair en een Indonesische vrouw. Toen ze later in het Jappenkamp terecht kwam was ze zwanger van haar vierde kind en was ze altijd op zoek naar kippelevertjes, niertjes en hartjes omdat het met een van de kinderen niet goed ging. De zorg voor de kinderen kwam op haar neer, want mijn opa was krijgsgevangen gemaakt. Het laatste beeld dat mijn omi van hem had, was dat hij afgevoerd werd tussen twee Kempeitai – een soort Japanse Gestapo – en zou worden geëxecuteerd. Pas later in Nederland hoorde ze via het Rode Kruis, dat ze werd ‘opgeëist’ door haar man. ‘Maar die is toch dood?’ had ze gezegd. Mijn opa had op het laatste moment gratie gekregen, misschien omdat hij een vriend was van de sultan, ik weet het niet, er werd niet over gesproken. Zo kwamen ze toch weer bij elkaar en kwam na omwegen de hele familie in Den Haag terecht, zoals zovele Indo’s.


Omi was een heel bijzondere vrouw voor wie de anderen altijd belangrijker waren dan zijzelf. Ze was even bescheiden als ze groot was, of liever klein was, nederig bijna, maar ze kon fel worden als een kat als je aan haar familie kwam! Ik ken haar alleen als een klein, lief Indonesisch dametje bij wie het iedere zondag – toen mijn opa nog leefde en ook nog wel daarna – een koempoelan was. Dan kwam de familie bij elkaar om te gokken, te praten en te eten. Het huis rook naar Indonesische hapjes die omi en de meiden in de keuken klaarmaakten terwijl de mannen in de huiskamer bezig waren. Het was een zoete inval. Een Chinese dokter die mee kwam gokken, nog twee Antiliaanse ‘tantes’ en wij – de kleinkinderen, keken televisie of speelden op zolder of buiten.


Omi vertelde nooit veel over het verleden, over het Jappenkamp, over mijn opa (‘oh, hij was zo ondeugend’) of over haar ouders. Wel brandde er altijd een kaarsje op het kleine altaartje dat ze in haar huisje had gemaakt. Daar stond de foto van haar moeder. Een dito klein Indonesisch dametje dat niet mee naar Nederland was gekomen toen de boten vertrokken, maar achter was gebleven bij familie aldaar. Soms ging mijn oma haar opzoeken, toen ze nog kon, en tussendoor stuurde ze brieven, in het maleis. Ik was daar altijd door gefascineerd. Als ze weer eens in het maleis sprak of iets voorlas. Of van een tot tien telde in het Japans, ie-tsjie, nie, san…


Eerlijkheidshalve moet ik vertellen dat ik haar de laatste jaren niet veel heb bezocht. Ik woonde te ver weg, had het te druk met andere dingen en als we er dan weer eens waren zei ze altijd: ‘het is niet erg, ik kom toch ook nooit ergens’. Toen ik haar een van de laatste keren bezocht was ze al behoorlijk in de war, maar zoals altijd, ontzettend lief. Ze liep dan bijvoorbeeld met het pak suiker rond en zei dan: ‘ik moet hier toch ergens nog suiker hebben…’ (stel je deze zin voor in Nederlands zoals alleen Indonesische mensen dat kunnen spreken en je weet hoe lief het klonk). Of ze vertelde dat ze verpleegster was geweest en dat ze het soms helemaal niet leuk vond om ‘s avonds zo laat nog op straat op de bus te moeten wachten. Vaak somde ze haar kinderen op, vier, vijf keer achter elkaar. ‘Ik heb zes kinderen weet je’. Edu, dat is de oudste, dan is er Arthur en Erik en ik heb nog twee meisjes. Eentje woont in Amersfoort en de andere woont in Amerika… nee, wacht, in Canada’. ‘Van wie ben jij nou?’ ‘Ik ben van Ron, Omi’. ‘Oh ja, Ronny…’ En dan begon ze weer overnieuw. ‘Ik heb zes kinderen weet je’…

 
Hoe zeer ze in de war was bleek toen ik daar in het verzorgingstehuis bij haar woning aanbelde en ze – na mij eerst monsterend te hebben opgenomen – mijn vriendin, die ze toen pas voor het eerst zag – om de hals vloog en zei: ‘ik weet niet wie hij is, maar ik vind het wel heel leuk dat jij er weer bent!’. Toen we eenmaal binnenstonden zei ze: ‘Je lijkt wel op Max (mijn opa) en je ziet er wel bekend uit…, maar ik weet niet wie je bent’.


De laatste keer dat ik haar zag, leefde ze compleet in haar eigen wereld, een wereld die voor niemand met een gezond verstand toegankelijk is. Ze zag er gezond en gelukkig uit en ze genoot van de mensen om haar heen. Toen ze een bon bon aangeboden kreeg, was ze zo blij als een kind. Snel stopte ze de chocolade in haar mond en keek met glinsterende oogjes in het rond alsof ze net iets stouts gedaan had maar het toch al te laat was om daar nog iets aan te veranderen. Het was een prachtig gezicht. Ze heeft nog een tijdje met Dante – ons zoontje – op schoot gezeten en liedjes gezongen, hem gewiegd en geprobeerd een flesje te geven. Ze was altijd al gek op kinderen en heel even leek alles weer goed.


Vorige week is Omi van ons heengegaan. In alle rust is zij zacht ingeslapen. De uitvaart was sober, precies zoals ze wilde, klein, nederig, bescheiden…

… sjie, go, rokoe, nana, ha-tsjie, kjoeoe, djoeoe …

E-mail me when people leave their comments –

You need to be a member of Spiritueel Ondernemers Netwerk to add comments!

Join Spiritueel Ondernemers Netwerk